Ontleden‎ > ‎

Gezegde

Het gezegde zijn alle werkwoorden van de zin. Soms is dit alleen de persoonsvorm.
•   Piet eet een appel.
 
Soms is dit de persoonsvorm met nog een ander werkwoord.
•   Piet heeft een appel gegeten.
 
 

Naamwoordelijk gezegde

Het naamwoordelijk gezegde is de persoonsvorm + een bijvoeglijk naamwoord of een zelfstandig naamwoord.
De persoonsvorm is dan altijde een vorm van een koppelwerkwoord
Koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen.

•   Mijn moeder is boos.
•   Mijn buurman is advocaat.
*   Ik word ziek.

*   Zij lijkt wel aardig.


Werkwoordelijk gezegde

Het werkwoordelijk gezegde is de persoonsvorm + alle andere werkwoorden in de zin. De andere werkwoorden zijn het voltooid deelwoord of het infinitief.
•   Eefje loopt naar huis.
•   Eefje is naar huis gelopen.
•   Eefje zal naar huis lopen.
•   Eefje zou naar huis zijn gelopen.
•   Eefje moet naar huis lopen.