Ontleden‎ > ‎

Lijdend voorwerp - meewerkend voorwerp - bijwoordelijke bepaling

 

Lijdend voorwerp

Wanneer je de persoonsvorm, het onderwerp en het gezegde gevonden hebt, kun je kijken of er een lijdend voorwerp in de zin staat. Het lijdend voorwerp vind je alleen in zinnen met een werkwoordelijk gezegde.

Je vindt het lijdend voorwerp door wie of wat voor de persoonsvorm, het onderwerp en de rest van het werkwoordelijk gezegde te zetten
•   Ze koopt vanmiddag een bos bloemen.
Wat koopt ze? Antwoord: een bos bloemen

•   De docent heeft een hoog cijfer gegeven.
Wat heeft de docent gegeven? Antwoord: een hoog cijfer

•   Ik bel mijn moeder op.
Wie bel ik op? Antwoord: mijn moeder
Het lijdend voorwerp begint nooit met een voorzetsel.



Meewerkend voorwerp

Na het lijdend voorwerp kun je kijken of er een meewerkend voorwerp in de zin staat. Een paar kenmerken van het meewerkend voorwerp zijn:

  • Je kunt meestal aan of voor voor het meewerkend voorwerp zetten. Als er al aan of voor staat, kun je dit meestal weglaten.
  • Als een zinsdeel met voor begint en je kunt dit vervangen door ten behoeve van, is het een meewerkend voorwerp.
  • •   Ik gaf hem een cadeau.
    •   Ik gaf aan hem een cadeau.

    •   Die film duurt mij niet lang genoeg.
    •   Die film duurt voor mij niet lang genoeg.

    •   Voor hem heb ik mijn vakantie uitgesteld.
    •   Ten behoeve van hem heb ik mijn vakantie uitgesteld.



    Bijwoordelijke bepaling

    Als je de zin tot en met het meewerkend voorwerp ontleed hebt, blijven er vaak nog zinsdelen over. Deze zinsdelen zijn meestal bijwoordelijke bepalingen. De meest voorkomende bijwoordelijke bepalingen vind je hieronder.
    Bepaling van tijd. Deze geeft antwoord op de vraag wanneer?
    •   Morgen gaan we naar de film.

    Bepaling van plaats. Deze geeft antwoord op de vraag waar?
    •   Mijn nichtje speelt in de tuin.

    Bepaling van richting. Deze geeft antwoord op de vraag waarheen?
    •   Ze gaan naar Corsica.

    Bepaling van reden. Deze geeft antwoord op de vraag waarom?
    •   Hij gaat niet naar school omdat hij ziek is.

    Bepaling van hoeveelheid. Deze geeft antwoord op de vraag hoeveel?
    •   Die jas kostte 150 Euro.

    Bepaling van hoedanigheid. Deze geeft antwoord op de vraag hoe?
    •   We gaan met de trein naar Kopenhagen.