Woordsoorten‎ > ‎

Persoonlijk voornaamwoord - bezittelijk voornaamwoord

Persoonlijk naamwoord

Het persoonlijk voornaamwoord geeft een persoon aan.
•   ik loop jij ziet mij, me
•   jij, je loopt ik zie jou, je
•   hij loopt ik zie hem
•   zij, ze loopt ik zie haar
•   het loopt ik zie het
•   wij, we lopen ik zie ons
•   jullie lopen ik zie jullie
•   zij, ze lopen ik zie ze
 
Let op! Ik geef het hun. Ik geef het aan hen.



Bezittelijk voornaamwoord

Het bezittelijk voornaamwoord geeft een bezit aan. Je gebruikt het samen met een zelfstandig naamwoord.
•   Ik zoek mijn jas.
•   Jij zoekt jouw (je) jas.
•   Hij zoekt zijn jas.
•   Zij zoekt haar jas.
•   U zoekt uw jas.
•   Wij zoeken onze jassen.
•   Jullie zoeken jullie jassen.
•   Zij zoeken hun jassen.