Woordsoorten‎ > ‎

Vraagwoord - aanwijzend voornaamwoord

Vraagwoord

Met een vraagwoord maak je een vraag. Ze beginnen met een w, behalve hoe.
 
Je vraagt naar een persoon.
•   Wie is die man?
 
Je vraagt naar een ding.
•   Wat wil je in je koffie?
 
Je vraagt naar een plaats.
•   Waar gaan we naar toe?
 
Je vraagt naar een reden.
•   Waarom ga je weg?
 
Je vraagt naar een manier.
•   Hoe kom ik bij het station?
 
Welk gebruik je bij een zelfstandig naamwoord: bij een de-woord welke, bij een het-woord welk.
•   Welke trein moet ik nemen?
•   Welk boek is van jou?



Aanwijzend voornaamwooord

Een het-woord dat dichtbij is, wijs je aan met dit.
•   Dit kind woont hier in de straat.
 
Een het-woord dat verweg is, wijs je aan met dat.
•   Dat kind woont in Amsterdam.
 
Een de-woord dat dichtbij is, wijs je aan met deze.
•   Deze man woont hier in de straat.
 
Een de-woord dat verweg is, wijs je aan met die.
•   Die man woont in Amsterdam.
 
Deze en die gebruik je alleen bij een zelfstandig naamwoord. Dit en dat kun je ook los gebruiken. Het maakt dan niet uit of het enkelvoud of meervoud is.
 
Dichtbij en enkelvoud
•   Dit is mijn vriendin.
 
Veraf en enkelvoud
•   Dat is mijn nieuwe buurman.
 
Dichtbij en meervoud
•   Dit zijn mijn kinderen.
 
Veraf en meervoud
•   Dat zijn mijn nieuwe buren.