Beeldspraak

BEELDSPRAAK

Beeldspraak is een stijlmiddel, een manier van taalgebruik, bijvoorbeeld woordkeus en zinsbouw. Simpel gezegd is beeldspraak

naamsoverdracht (of figuurlijk taalgebruik) om een speciale reden.

Voorbeelden: De vijand kwam als een dief in de nacht.

                    In de herfst van haar leven nam mijn oma nog rijles.

 

Er kunnen twee manieren voor die naamsoverdracht zijn:

 

1. De twee elementen waartussen de naamsoverdracht plaatsvindt, lijken op elkaar. Dit noemen we METAFOREN.
 

De auteur gebruikt dus een ander woord voor wat hij bedoelt: tussen die twee is er een betekenisovereenkomst. De metafoor is eigenlijk een vergelijking, maar zonder ‘als’ en waarin de werkelijkheid dikwijls verzwegen wordt, bijvoorbeeld:


                  het schip der woestijn (de kameel)
                  de avond valt (de tijd van sterven nadert)
                  de koning van de wildernis (de leeuw)
                  vrouwe Justitia (het gerecht)
                  de toekomst ziet er somber uit (onheilspellend)
                  de neus van een schoen (de neus = beeld; de punt van een schoen = verzwegen werkelijkheid)
                  de hals van een fles (het smalle deel van een fles)
                  kinderkopjes (kasseien)
                  een gillende alarmbel (een lawaaimakende alarmbel)

                  voetbal is oorlog (overeenkomst: geweld)       

                  Ezel! Maak dat je wegkomt!

                  Onze heilige koeien zouden eens wat minder benzine moeten drinken. (auto's)
                  Die badmuts doet het goed vandaag. (man met kaal hoofd)  zie verder hieronder
 
 

2. De twee elementen waartussen naamsoverdracht plaatsvindt, lijken niet op elkaar. Dit noemen we METONYMIA.

    Voorbeeld: In die zaal hangt een prachtige Rembrandt.   (Je bedoelt het schilderij, maar je noemt de schilder)
    zie verder hieronder

 

Behalve deze twee vormen van beeldspraak, kennen we ook nog een derde, de VERGELIJKING. Dan vergelijk je iets met iets anders, omdat er een bepaalde overeenkomst is. Er vindt echter geen naamsoverdracht plaats.

Voorbeeld: De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig kindzie verder hieronder

 

METAFOOR:

 

Twee veel voorkomende vormen van metafoor zijn de volgende:
 

1. Personificatie: dieren, planten of andere dingen krijgen menselijke eigenschappen.

    Voorbeelden: De regen fluistert in het riet.

                            Achter de wuivende duinenlijn stoeien de wind en de wilde zee. (P.C. Boutens)

                            De wind floot door de takken. 
                            Soms lacht de toekomst je toe.

 

2. Synesthesie (zintuiglijke vermenging):

    Voorbeelden:   Schreeuwende kleuren. (horen - zien)

                               Bittere verwijten. (smaken - horen)

                               Een scherpe geur. (voelen - ruiken)

 

VERGELIJKING:

 

1. Als-vergelijking: het object en het beeld worden beide genoemd en met elkaar verbonden door (zo)als.

                           Voorbeeld: De vijand kwam als een dief in de nacht.
                                               Lachen als een boer die kiespijn heeft. 
                                               Hij ging er als een haas vandoor.

 

2. Asyndetische vergelijking: tussen object en beeld staat geen verbindingswoord:

                                                  Voorbeeld: Kom, leg uw hand op dit papier, mijn huid.(Vroman)

 

3. Vergelijking met "van":

   Jantje is een schat  van een kind en zijn vader een beer van een vent.

 

4. Homerische vergelijking: Een lange vergelijking die uitgewerkt is met allerlei bijzonderheden.

 

METONYMIA:

 

De meest voorkomende betrekkingen tussen "beeld" en "verbeelde" zijn de volgende:

 

1. Men bedoelt een voorwerp, maar men noemt het materiaal waarvan het voorwerp gemaakt is.

    Voorbeeld: We hebben een paar dagen lekker kunnen schaatsen maar ik heb mijn ijzers nu maar weer ingevet.

 

2. Men bedoelt de inhoud, maar men noemt het voorwerp.

    Voorbeeld: Zullen we nog een glaasje drinken?

 

3. Men bedoelt een voorwerp, maar men noemt de maker.

    Voorbeeld: Hij bezat een echte Van Gogh, een oude Ford en een valse Stradivarius.

 

4. Men bedoelt het geheel, maar men noemt slechts een deel.

    Voorbeelden:  Even de neuzen tellen.

                              Die kale speelt goed vandaag.

 

5. Men bedoelt een deel, maar men noemt het geheel.

    Voorbeeld: Nederland won met 4 - 0 van België.   

 

6. Men bedoelt meervoud, maar men noemt enkelvoud.

    Voorbeeld: De Nederlander is zo gek nog niet.

 

7. Men bedoelt het bezit, maar men noemt de bezitter.

    Voorbeeld: Onze buurman is gisteren afgebrand.

 

8. Men bedoelt een groep, maar men noemt de leider.

    Hitler rukte razendsnel op naar de Russische grens.
 
 
 
Een paar oefeningen: Gewoon klikken: Oefening beeldspraak   -   Oefening vergelijkingen