correctie opdracht 3

1.  Die fabriek brandt tot de grond toe af als de brandweer niet snel komt.  (vergelijk: De fabriek loopt....)

2.  Het wordt morgen mooi weer, volgens de voorspellingen.                        (vergelijk: Het loopt morgen....)

3.  Vergoedt je vader alle schade?                                                                    (vergelijk: Loopt je vader....)

3.  Patricia belooft altijd van alles, maar doet niets.

4.  Went hij al aan zijn nieuwe baan?

5.  Hij beschouwt dit als een enorme belediging.

6.  Maak je geen zorgen, jij onthoudt dit echt wel.                                            (vergelijk: ....jij loopt....)

7.  Waarom wind je je nu zo op?                                                                        (vergelijk: Waarom loop je ....)

8.  Die leraar vermijdt als het enigszins kan elk probleem.                             ( vergelijk: Die leraar loopt....)

9.  De conrector behandelt die zaak morgen.

10. Die school verzendt alles per post.                                                              (vergelijk: Die school loopt......)

11. Wij verwachten dat het allemaal wel goed zal komen.

12. Bevindt je familie zich ook in Frankrijk?                                                      (vergelijk: Loopt je familie....)

13. Op de markt betaalt U nooit te veel.

14. Ik reken erop dat je de waarheid vertelt.

15. Verwent dat meisje haar hond niet te veel?