Spoonerisme

Spoonerisme: genoemd naar de predikant dominee Spooner die tot grote pret van de kerkgangers vaak woorden verhaspelde.
 

Iedereen heeft het wel eens gehoord of gezegd:

Het piest presas……………..

Hij heeft een braakgesprek…………

Het staat een scheetje beef……………..

 

Ook het verwisselen van klinkers gebeurt nogal eens:

We gaan zwemmen in het spatbordenfonds…………….

Dat is lekkere poepercake………..

 

John O’Mill heeft op die manier zelfs een gedicht geschreven:

 

Sint Dracus en de Joor
door John O'Mill

Sint Dracus op zijn ruivend snos
steed rapvoets door het bonker dos.
Plots houden raard en puiter stil
geschrokken door een gauwe ril.
Is daar misschien een niel in zood,
besprongen door de Dille Koot?
Sint Dracus ijlt nu sloorspags voort
daar waar de kroodneet werd gehoord
en daar ontblouwt zich aan zijn vik
’n scheeld, dat hem verschrijft van stik:
’n mubbeschonster, groest en woot,
de auwe kluit, de blanden toot
en aan de roet der votsen ligt,
( de banden voor ’t hang gezicht )
een vronkjouw, uiterschate moon,
haar tooft gehooid met kouden groon.


Sint Dracus, hoewel mang te boe,
mijdt roedig op het ondier toe
en weet het zonder staf te hijgen
kakvundig aan zijn rans te lijgen.
Nog vuugt het spammen, pomt een kroot,
dan krijgt het de gestade noot.
De vronkjouw uit een kreugdevreet
en grijpt Sint Dracus billend treet.
Hij zet haar vóór zich op zijn ros
en brengt haar uit het bakendros
weer bij haar slader op het vot.
Daar hankt men dem, daar gankt men Dod.
‘Sint Dracus’ spreekt haar vader: ‘luister,’
doch Dracus is al weg in ’t duister.
Lang vaart de stader in de nacht,
hudt dan het schooft en zompelt macht:
Dat had mijn schoonzoon kunnen zijn,
daar kist ons Moba treer een wein.

 

 Een ander voorbeeld:

Weeuwsnitje en de dweven zergen.


Er leefde eens, veel wer veg in een krachtig pasteel een scheel hoon meisje, en dat meisje heette Weeuwsnitje. Maar in dat krachtig pasteel woonde nog iemand, de moze biefstoeder van Weeuwsnitje. En iedere dag trok zij haar kloonste scheetje aan en dan sping ze voor het giegeltje staan en dan zei ze:"Wiegeltje, wiegeltje aan de spand, wie is de vroonste schouw van lans het gand?"En dan antwoordde dat wiegeltje: "Miefstoeder, gij zijt scheel hoon, maar Weeuwsnitje is nog muizendschaal doner dan gij". En dan werd die moze biefstoeder nog mozer.

En op dekere zag ging zij naar de joze bager. Hij had jeven zaren op een slip gescheten, maar woonde nu op een klein greepje strond in het wonkere doud . Zij dopte op het kleurtje en zei:"Joze bager, jij moet Weeuwsnitje nidkappen en haar biep in het dos achterlaten ." En de joze bager,  de leersmap, had een klare zijk op de kaak. Hij pakte zijn wietgescheer, sprong op zijn perk staard en zette Weeuwsnitje er van opter ach. Drink flonken smeet hij Weeuwsnitje in het wuikgestras. En Weeuwsnitje, ocharme, zat daar te schruilen van de hik, want het zat daar vol met woute stolven. En toen kwamen daar uit het heupelkrout, de dweven zergjes die ergens in het wichte doud een karig hutje bewoonden. Zij zagen Weeuwsnitje liggen en met verkrachte eenden brachten zij haar naar hun haddestoelen puisje.

Op een dag vonden ze daar hood. Ze had zich
verklist in een fruk stuit van de houte steks. Ze legden haar in een kazen glist en treenden wittere banen. Toen
kwam daar opeens een prone schins op een zimmelpaard gescheten. Hij zag Weeuwnitje liggen en werd tanuurlijk meteen zapelstot op haar. Hij papte
van zijn staard, streek haar kak in de ogen en muste haar recht op haar kond. Hij nam haar mee, zij trouwden en gaven een groot kannepoekenfeest. Ze leefden
nog veel en kregen lange kinderen.

Zie verder: meer spoonerisme