1. Betaal jij altijd alles contant? 2. De leraar dicteert aan het begin van de les altijd tien zinnen. 3. Die discussie leidt steeds weer tot problemen. (vergelijk: Die discussie loopt....) 4. Aanvaard jij zijn excuses altijd? (vergelijk: Loop jij....) 5. Johan vindt dat niet zo'n goed idee. (vergelijk: Johan loopt.....) 6. Er wordt mij nooit iets gevraagd. (vergelijk: Er loopt....) 7. De buurvrouw sproeit de tuin. 8. Deze ondernemer biedt je de mogelijkheid om je verder te ontwikkelen. (vergelijk: Deze ondernemer loopt....) 9. Waar bevindt zich het vliegtuig dat in moeilijkheden is? (vergelijk: Waar loopt....) 10. Die voetballer beëindigt dit jaar zijn carrière. 11. Het verbaast me dat hij nog niet heeft gereageerd. 12. Verbind jij die wond zelf? (vergelijk: Loop jij.....) 13. Zijn zus verzamelt al heel lang postzegels. 14. Hoe bereid jij je op die wedstrijd voor? (vergelijk: Hoe loop jij....) 15. Dat verbeeldt je broer zich maar. (vergelijk: Dat loopt je broer....) |