Verleden tijd

De verleden tijd van werkwoorden kan op drie verschillende manieren gevormd worden. De gemakkelijkste is als er sprake is van klankverandering (klinkerverandering). Je hoort dan als het ware wat je moet schrijven. De verleden tijd van lopen bijvoorbeeld is liep(en), van roepen is riep(en) van staan is stond(en) en van vinden is vond(en).

Deze werkwoorden noemen we sterke werkwoorden. Over het algemeen leveren die werkwoorden bij het schrijven van de verleden tijd niet veel moeilijkheden op.

 

Anders ligt dat bij de zogenaamde zwakke werkwoorden. Hierbij treedt geen klankverandering op. Je moet dan eerst de stam (ik-vorm in de teg. tijd) zoeken en daarna moet je daar de(n) of te(n) achter zetten. Bij heel veel werkwoorden levert dat geen enkel probleem op, maar bijeen aantal werkwoorden betekent dat dat je een dubbele d (dd) of een dubbele t (tt) krijgt.

Kijk maar eens naar de volgende voorbeelden:

 

ruilen      ik ruilde       jij ruilde     hij ruilde     wij ruilden      jullie ruilden     zij ruilden

werken  ik werkte      jij werkte   hij werkte   wij werkten    jullie werkten   zij werkten

 

Pas op bij werkwoorden waarvan de stam (ik-vorm in de teg. tijd) op een z of een v eindigen, zoals ik proev en ik reiz. De laatste letter verandert dan in een f of een s, maar in de verleden tijd komt daar dan toch de achter (proefde, reisde).

 

Oefening 1

 

Zet de volgende zinnen in de verleden tijd

 

1.      Waarom (luiden) de koster gisteren zo lang de klokken?

2.      Die fabriek (branden) na de explosie tot de grond toe af.

3.      Die wedstrijd (verliezen) de voetballers van Sparta met grote cijfers.

4.      (Vergoeden) je broer de schade die hij toegebracht (hebben)?

5.      De rector van de school (betreuren) de hele gang van zaken.

6.      Bij die explosie (barsten) heel veel ruiten.

7.      Johan (lachen) toen hij mij daar (zien) staan.

8.      De scheidsrechter (leiden) de wedstrijd op een heel vakkundige manier.

9.      Die chauffeur (rijden) vroeger altijd veel te hard door het dorp.

10. Hoe (bereiden) jouw tennispartner zich voor op dat toernooi?

11. Er (worden) jou vroeger nooit iets gevraagd.

12. De skiër (vermijden) tijdens de afdaling in de mist elk risico.

13. Waarom (beantwoorden) hij mijn e-mail niet?

14. Dat leger (strijden) wekenlang om de stad te bezetten.

15. De boter (smelten) meteen in de pan.

 

Om deze zinnen na te kijken, klik hier

 

 

 

Oefening 2

 

Zet de volgende zinnen in de verleden tijd

 

1.      Zijn baas (bieden) de jubilaris een mooi cadeau.

2.      Die leraar (onthouden) alles, hij (vergeten) nooit iets.

3.      De man (kuchen) eens toen hij zag dat de bewakers de gevangenen (luchten).

4.      De jongens (haasten) zich gisteren om nog op tijd op de ijsbaan te zijn.

5.      Toen hij even niet (opletten), (snijden) hij in zijn vinger.

6.      Hij (proberen) even goed op te letten, maar het (lukken) hem niet.

7.      Waarom (vinden) jij die bloemen niet mooi? Ze (zien) er toch goed uit.

8.      De kat (vluchten) toen de honden achter hem aan (komen).

9.      (Vinden) je vrouw het een goed idee om met het vliegtuig te gaan?

10. De skileraar (skiën) met grote vaart de berg af.

11. Die juffrouw (typen) een keurige brief en (verzenden) die meteen.

12. Wat (hebben) je gedaan als  je niet op tijd geweest (zijn)?

13. Wat (zullen) jij doen als je dat gehoord (hebben)?

14. (Verbonden) hij die wond zelf toen hij met zijn fiets gevallen (zijn)?

15. Ik (geloven) niet dat alles wat hij (zeggen) ook echt gebeurd (zijn).

 

Om deze zinnen na te kijken, klik hier

 

 

Oefening 3

 

1.      Ik (kennen) een politieagent die iedere bromfietser (beboeten) die over het trottoir (rijden)

2.      Hij (vertrouwen) erop dat het steeds beter (zullen) gaan, maar hij (vergissen)

zich.

3.      De buurman (bedoelen) daar niets mee, maar wat hij (zeggen) (zijn) niet slim.

4.      Mijn zoon (posten) die brief nog net op tijd anders (moeten) hij boete betalen.

5.      Zij (worden) door veen mensen toegejuicht toen zij uit het vliegtuig (stappen)

6.      Toen hij (beseffen) dat het veel beter (kunnen), (beginnen) hij harder te werken.

7.      Niemand (treuren) toen die gehate dictator (overlijden)

8.      In die plaats (bieden) de makelaar heel interessante huizen aan.

9.      In de kleine lettertjes (staan) de voorwaarden te lezen.

10.    De politie (vermoeden) dat de brand (zijn) aangestoken.

11.    De schapen (blaten) de hele nacht, iedereen (worden) er wakker van en (kunnen) niet meer in slaap komen..

12.     Omdat mijn tegenstander zo wild in (komen), (krijgen) ik een flinke trap tegen

           mijn knie.

13.    Dat meisje (wachten) veel te lang voordat zij een besluit (durven) te nemen.

14.    Hij (verbeelden) zich dat hij nooit fouten (maken), maar hij (kijken) lelijk op zijn

          neus toen hij zijn fouten (inzien).

15.     De gemeente (ontruimen) het bouwvallige pand.
 

Om deze zinnen na te kijken, klik hier

 

 

Oefening 4

 

Zet het volgende verhaal in de verleden tijd

De tanden van de vampier (Roland Topor)

 

De wind (huilen) door de cypressen. moeizaam (komen) professor Van Gunt vooruit. In zijn rechterhand (houden) hij een zwart tasje en zijn linkerhand (hebben) hij nodig om zijn door de storm bedreigde hoge zijden hoed te beschermen. Ergens (janken) een hond en de maan (worden) rood.

"Echt een weertje voor vampiers," (mompelen) de professor.

Hij (houden) het handvat van de zwarte tas stevig vast. Hij (zijn) niet bang voor vampiers. Hij (hebben) er in zijn leven al zoveel uitgeschakeld dat er niet veel meer over (kunnen) zijn.

Voor hem (verheffen) zich een indrukwekkend gebouw. Wie het zwakke lichtschijnsel dat door een van de vensters naar buiten (vallen) niet gezien (hebben), (zullen) menen dat het leeg en verlaten (zijn)

Even maar (laten) Van Gunt zijn hoofddeksel los om op de deur te kloppen. Na een eindeloze tijd van wachten (klinken) er gerinkel van kettingen en (gaan) de deur piepend open.

Op de drempel (staan) een stokoude, woest uitziende man.

"(Zullen) U een verdwaald reiziger gastvrijheid willen bieden?" (vragen) Van Gunt.

De grijsaard (geven) door middel van een gebrom zijn toestemming te kennen. Hij (doen) een stap opzij om de ander door te laten.

Toen hij de woonkamer (binnentreden), waar vlammende houtblokken griezelige schaduwen op de muren (tekenen), (zien) Van Gunt dat er allemaal catalogi op tafel (liggen).

"Bent U filatelist?"

De oude man (sidderen).

"Hoe minder men over bepaalde zaken spreekt, hoe beter het is."

Ze (zeggen) geen woord meer tegen elkaar, totdat de professor in een ijskoud, maar goed ingericht vertrek (zijn) geïnstalleerd.

Weldra (slapen) Van Gunt in.

Door een afschuwelijke gil (schrikken) hij wakker. Zonder zich de tijd te gunnen zich aan te kleden, (Stormen) hij naar de huiskamer.

De oude man (liggen), beschenen door het licht van het uitdovende vuur, op de grond. Met schrik (constateren) Van Gunt dat hij volkomen leeggebloed (zijn). Twee tekens in zijn hals (geven) aan hoe dat in zijn werk (zijn) gegaan.

"Een vampier," (spreken) de professor met gesmoorde stem.

Hij (bukken) zich om een postzegel op te rapen die uit een van de albums gevallen (zijn). In de tanding (bevinden) zich twee monsterachtige, grote, spitse, met bloed bevlekte tanden. De voorstelling (zijn) die van een man met een krankzinnig wreed gezicht.

"Graaf Dracula!"

 Van Gunt (zoeken) in zijn tasje, dat hij voor alle zekerheid meegebracht (hebben). Hij (halen) er een houten tandenstoker uit, waarmee hij de postzegel op de plaats van het hart (doorsteken).

De afbeelding van graaf Dracula (worden) wazig en (verdwijnen) ten slotte helemaal.

De professor (maken) zich meester van de postzegelverzameling en nu hij toch bezig (zijn), (nemen) hij het familiezilver ook maar mee.

 

Om deze zinnen na te kijken, klik hier