Tegenwoordige tijd: theorie en opdrachten

Veel mensen maken fouten bij het spellen van werkwoorden. Vooral als het gaat om de eindletters d, t of dt gaat het vaak fout. Toch heeft iedereen het  verhaaltje gehoord dat in de tegenwoordige tijd bij ik altijd de stam geschreven moet worden en dat de stam ook geschreven wordt als je of jij achter de persoonsvorm staat. Het is dus ik woon, ik spring, ik vind, ik antwoord, woon jij, spring je, vind je, antwoord jij, vind ik, spring ik. In al deze gevallen is ik, je of jij het onderwerp. In alle andere gevallen schrijf je in de tegenwoordige tijd enkelvoud stam + t, bijvoorbeeld: jij loopt, springt hij, de koe loeit, het meisje vindt, antwoordt hij enzovoort.

Op deze manier kreeg je het bekende rijtje:

ik loop             ik vind             loop ik?         vind ik?

jij loopt            jij vindt            loop  jij?         vind jij?

hij loopt          hij vindt           loopt hij?        vindt hij?

zij loopt          zij vindt            loopt zij?        vindt zij?

wij lopen        wij vinden        lopen wij?       vinden wij?

jullie lopen     jullie vinden     lopen jullie?    vinden jullie?

zij lopen         zij vinden         lopen zij?        vinden zij? 

 

Als jij nou ook bij die mensen hoort die nog steeds veel fouten maken als je op het eind van een werkwoord moet kiezen tussen een d of een t dan moet je het volgende maar eens proberen:

Zet in plaats van het werkwoord dat jij moeilijk vindt een ander werkwoord, een werkwoord waarbij je heel eenvoudig hoort of de laatste letter en t is of niet.

Zo'n werkwoord is bijvoorbeeld lopen.

De jongen antwoord niet op mijn vraag. (Is antwoord goed of fout geschreven?) Zet in de plaats van antwoord loop of loopt en je hoort de t.......... De jongen loopt niet op mijn vraag. Deze zin is natuurlijk fout, maar je hoort nu wel of er een t moet staan of niet. Als er bij loopt een t moet staan, moet dat ook bij antwoordt. De zin hierboven was dus fout.

Zo ook bij: Dat meisje vindt (loopt) mij aardig. Vrijdag wordt (loopt) de leraar 40 jaar.
 
 

Probeer nu de volgende opdrachten maar eens te maken.

 

Opdracht 1

1.  De man (lopen) met zijn kar door de straat.

2.  Hij (gaan) naar de markt.

3.  Onderweg (komen) hij een meisje tegen.

4.  Dat meisje (vinden) hem wel aardig.

5.  Zij (groeten) hem dan ook hartelijk.

6.  Daarna (vragen) zij hem waar hij naar toe (gaan).

7.  "Ik (willen) naar de markt," (antwoorden) hij.

8.  "Wat (worden) daar allemaal verkocht?" (vragen) het meisje.

9.  "Ik (gaan) groenten en fruit (kopen)," (vertellen) de man.

10. "(Hebben) je daarom je kar bij je?" (zeggen) het meisje.

11. De man (antwoorden) hierop dat dat inderdaad daarom (zijn).

12. Het meisje (vinden) het toch gek dat hij met die kar door de straat (lopen).

13. "Hij (zijn) al oud, maar nu (worden) hij ook nog een beetje gek," (denken) zij.

14. Zij (huppelen) snel verder, want zij (moeten) op tijd op school (zijn).

15. Onderweg (kijken) zij nog een keer om, maar zij (zien) hem niet meer.

Voor antwoorden klik hier

 

 

 

 

Opdracht 2

Zet de volgende zinnen in de tegenwoordige tijd

1.  (Betalen) jij altijd alles contant?

2.  De leraar (dicteren) aan het begin van de les altijd tien zinnen.

3.  Die discussie (leiden) steeds weer tot problemen.

4.  (Aanvaarden) jij zijn excuses altijd?

5.  Johan (vinden) dat niet zo'n goed idee.

6.  Er (worden) mij nooit iets gevraagd.

7.  De buurvrouw (sproeien) de tuin.

8.  Deze ondernemer (bieden) je de mogelijkheid om je verder te ontwikkelen.

9.  Waar (bevinden) zich het vliegtuig dat in moeilijkheden is?

10. Die voetballer (beëindigen) dit jaar zijn carrière.

11. Het (verbazen) me dat hij nog niet heeft gereageerd.

12. (Verbinden) jij die wond zelf?

13. Zijn zus (verzamelen) al heel lang postzegels.

14. Hoe (bereiden) jij je op die wedstrijd voor?

15. Dat (verbeelden) je broer zich maar.

 

Om deze oefening na te kijken klik hier

 

 

Opdracht 3

 

Zet de volgende zinnen in de tegenwoordige tijd

 

1.  Die fabriek (branden) tot de grond toe af als de brandweer niet snel (komen).

2.  Het (worden) morgen mooi weer, volgens de voorspellingen.

3.  (Vergoeden) je vader alle schade?

3.  Patricia (beloven) altijd van alles, maar (doen) niets.

4.  (Wennen) hij al aan zijn nieuwe baan?

5.  Hij (beschouwen) dit als een enorme belediging.

6.  Maak je geen zorgen, jij (onthouden) dit echt wel.

7.  Waarom (winden) je je nu zo op?

8.  Die leraar (vermijden) als het enigszins kan elk probleem.

9.  De conrector (behandelen) die zaak morgen.

10. Die school (verzenden) alles per post.

11. Wij (verwachten) dat het allemaal wel goed (zullen) komen.

12. (Bevinden) je familie zich ook in Frankrijk?

13. Op de markt (betalen) U nooit te veel.

14. Ik (rekenen) erop dat je de waarheid (vertellen).

15. (verwennen) dat meisje haar hond niet te veel?

 

Om deze oefening na te kijken klik hier

 

 

Opdracht 4

 

Zet de volgende zinnen in de tegenwoordige tijd

 

1.  Die buschauffeur (rijden) regelmatig te hard door deze straat.

2.  (Verzenden) jij ooit iets aangetekend?

3.  Wat (vinden) je van die opmerking van de leraar?

4.  Deze winkel (bieden) hoge kortingen aan.

5.  Jongen, dat (verbeelden) je je maar!

6.  Dat  felle licht (verblinden) de tegenliggers.

7.  (Houden) jij je altijd aan je afspraken?

8.  Als het (regenen), (worden) je nat.

9.  Omdat de bus te laat (zijn), (missen) hij de trein.

10. Als je (volhouden), (moeten) het vroeg of laat lukken.

11. Het standpunt (luiden) als volgt: "Huiswerk maken (zijn) zinloos".

12. Morgen (worden) die leerling door de mentor gebeld.

13. (Weten) je zeker dat zij met die rare snuiter verkering (hebben)?

14. Hoe (luiden) dat spreekwoord ook weer precies?

15. Ook voor jou (gelden) dat compliment.

 

Om deze oefening na te kijken klik hier

 

 

Opdracht 5

 

Zet de volgende tekst in de tegenwoordige tijd

 

Emotionele confrontaties

 

Vroeger moest je bij een scheiding tegenover de rechters aantonen dat je huwelijk mislukt was, tegenwoordig (staan) er een televisieploeg bij je op de stoep.

Het allerduidelijkst (worden) dit in "All you need is love", een programma waarin men (aanbieden) het liefdesleven van de kijker te dirigeren. Zo (vertellen) een tamelijk verwarde man dat zijn ex-vrouw hem niet meer terug (willen), hoewel ze samen een kind (hebben) gekregen.. Hij (vertellen) het een tikje verontwaardigd. Ook Robert ten Brink (vinden) het onverklaarbaar. Hij (zoeken) de ex-vrouw op en (duwen) haar ongevraagd een videoband in haar handen met de smeekbede van haar echtgenoot. Als de vrouw vervolgens (uitleggen) dat ze er niet van gediend (zijn) - ze (hebben) al tientallen malen met haar man gepraat en (vinden) het nu, na twee jaar, zoetjesaan welletjes - (houden) Ten Brink haar ernstig voor dat ze ook nog een kind (hebben). (Vinden) ze het niet zielig voor de kleine dat hij zonder vader (moeten) leven?

Het (zijn) de terreur van de programmamakers die (geloven) in hun recht om ongevraagd en onverwacht bij je te (kunnen) (binnenstappen) en je vervolgens te ondervragen over je seksleven of de familievetes. Dat (gebeuren) bovendien met een zelfvoldaan gezicht en de onvermoeibare zendingsdrang van een zedenprediker. Televisiemakers die daartoe (overgaan), (hebben) last van grootheidswaanzin en een zorgelijk gebrek aan ideeën voor televisie-amusement.

 

Uit:Examen vbo/mavo-D 1994 tijdvak 1

 

Om deze oefening na te kijken klik hier

 

 

Opdracht 6

 

Zet de volgende tekst in de tegenwoordige tijd

 

Om meer inzicht te (krijgen) in de redenen waarom de mens (blozen), (hebben) enkele psychologen een groot aantal mannen en vrouwen ondervraagd. De omstandigheden waarin blozen (optreden), (hebben) zij ingedeeld in drie categorieën. In de helft van de gevallen (gaan) het om anderen die iets (zeggen) of (doen) wat de ondervraagden in verlegenheid (brengen). Bij een kwart van de ondervraagden (betreffen) het iets wat zijzelf (doen), bijvoorbeeld spreken in het openbaar. Hierbij kan ook de mogelijkheid dat er iets (misgaan) of dat je een verkeerde indruk (wekken), een mens onzeker (maken) en al bij voorbaat (laten) (blozen). Bij vijftien procent van de ondervraagden (gaan) het om iets wat (mislukken) zoals een verspreking of het dragen van de "verkeerde kleding". In de meeste gevallen (voelen) men zich belachelijk en onbedekt, omdat iets persoonlijks publiek (worden) gemaakt. Men (voelen) zich bekeken. Maar ook wie alleen (zijn), (kunnen) (blozen): een voorstelling van de negatieve reacties van anderen of de herinnering aan een pijnlijke gebeurtenis (kunnen) al voldoende (zijn).

In de psychologie (weten) men nog niet precies welke gevoelens allemaal tot blozen (kunnen) (leiden), maar in het algemeen (worden) het in verband gebracht met emoties van schaamte en verlegenheid. Verder (veronderstellen) men ook dat het blozen (samenhangen) met bescheidenheid. Sommige mensen (blozen) immers ook als ze geprezen (worden), terwijl ze zoveel lof eigenlijk niet terecht (vinden).

Het (zijn) wel duidelijk dat blozen een uiting (zijn) van de zogenaamde sociale emoties. Het (gaan) om een situatie waarin we ons als het ware extra bewust (zijn) van onszelf en de manier waarop we op onze omgeving (overkomen). De samenhang met sociale emoties (verklaren) wellicht ook het feit dat we alleen in het gezicht (blozen). Dit (zijn) tenslotte het lichaamsdeel dat voor anderen het meest zichtbaar (zijn). Het (zijn)alleen nog niet duidelijk hoe het mogelijk (zijn) dat de rest van het lichaam niet (blozen).

Dat het oordeel van de omgeving belangrijk (zijn) voor blozers, (blijken) ook uit het feit dat blozen vooral (voorkomen) onder de jeugd. In het onderzoek (beweren) 36% van de ondervraagden onder de 25 dagelijks te blozen, terwijl degenen van boven de 25 dat slechts een tot drie keer per maand (zeggen) te doen. Volgens de onderzoekers (worden) een dergelijk verschil veroorzaakt doordat een jongere veel meer met zichzelf bezig (zijn) en zich druk (maken) over hoe hij er (uitzien) en hoe hij op andere mensen (overkomen). Hij (ontmoeten) veel nieuwe mensen en (worden) telkens opnieuw door anderen beoordeeld.

 

 

Om deze oefening na te kijken klik hier