Werkwoordspelling‎ > ‎Verleden tijd‎ > ‎

correctie verleden tijd 2

Oefening 2

 

1.      Zijn baas bood de jubilaris een mooi cadeau.

2.      Die leraar onthield alles, hij vergat nooit iets.

3.      De man kuchte eens toen hij zag dat de bewakers de gevangenen luchtten. (kuch+te; lucht+ten)

4.      De jongens haastten zich gisteren om nog op tijd op de ijsbaan te zijn. (haast+ten; de jongens is meervoud)

5.      Toen hij even niet oplette, sneed hij in zijn vinger. (let+te; hij is enkelvoud)

6.      Hij probeerde even goed op te letten, maar het lukte hem niet. (probeer+de; hij is enk. luk+te: het is enk.)

7.      Waarom vond jij die bloemen niet mooi? Ze zagen er toch goed uit.

8.      De kat vluchtte toen de honden achter hem aan kwamen. (vlucht+te; de kat is enkelvoud)

9.      Vond je vrouw het een goed idee om met het vliegtuig te gaan?

10. De skileraar skiede met grote vaart de berg af. (nieuw werkwoord skie+de;de skileraar is enkelvoud)

11. Die juffrouw typte een keurige brief en verzond die meteen. (typ+te; die juffrouw is enkelvoud)

12. Wat had je gedaan als  je niet op tijd geweest was?

13. Wat zou jij doen als je dat gehoord had?

14. Verbond hij die wond zelf toen hij met zijn fiets gevallen was?

15. Ik geloofde niet dat alles wat hij zei ook echt gebeurd was. (geloof+de; ik is enkelvoud)